Toen en Nu

Toen en Nu

De keuken uit mijn kindertijd was altijd vol met mensen.
Er stond ’n warme kachel in, wat had je meer te wensen?
De was hing erte drogen en de worst hing aan een spijker.
De koffie stond te pruttelen, waar was het leven rijker?

We zaten in ons keukentje met negen man te eten,
met soep vooraf en pudding toe, ik zal ’t nooit vergeten.
De afwas was het ergste niet, dan stonden we te zingen.
’n Grote zinken teil, dat was ons bad, er waren erger dingen.

De keukenmat werd opgerold, want vader kwam van de markt,
ik zie hem nog zweten.
De armen vol met groenten, we hadden weer te eten.
Brood was er altijd op de plank en een varken in de kelder.
Was ’t vuil dan ging de dweil erdoor en alles was weer helder.

De keuken van onze kinderen, staat nu vol met apparaten.
Het nieuwste van het nieuwste, maar je kunt er niet mee praten.
De was zit in de droger, in de vriezer zit het eten.
Het is ongekende luxe, als ik niet beter had geweten.

Ze eten in het keukentje, dat wel, maar wie was toch die verzon,
’n twee minuten maaltijd, zo uit de magnetron.
De afwas die gaat in ’t machien, daar zitten ze niet mee.
En zingen dat hoeft ook al niet meer, ze draaien een cd.

Geen teil meer, maar een bubbelbad, ’n auto voor de deur.
Wie nou niet tevreden is, dat is een ouwe zeur.
Wij hadden al die dingen niet, maar toch wel ietsje meer.
’n Kostbaarheid in ’t leven; gezelligheid en sfeer.

Tiny Meerten